Poppen, Waar Komen Ze Vandaan?

By
Onze Poppen

Het Ontstaan van Poppen

Hebben wij het ontstaan van de pop te danken aan vruchtbaarheids- en offerbeeldjes? Niets daarover is zeker.
Al wordt in het algemeen aangenomen dat bij de oude volken de menselijke afbeelding dichter bij de eredienst stond dan bij het kind.
Een aantal archeologen uit verschillende landen hebben ruim een eeuw geleden de deur naar de oude culturen op een flinke kier gezet. Onze kennis betreffende het doen en laten van die in de oudheid levende mens is er sindsdien, aan de hand van vele opgravingen met sprongen op vooruit gegaan.
Van de Olmeken bijvoorbeeld, een volk dat ca. 3200 jaar geleden een gebied bevolkten langs de Golf van Mexico, zijn menselijke figuren gevonden van aardewerk en jade. Waarvan men aanneemt dat ze een rol speelden bij de offeren eredienst. Van de vruchtbaarheidsgodin Astarte zijn bij opgravingen kleine afbeeldingen gevonden in de Fenicische koningsstad Urgarit.
Toch zijn er voldoende voorbeelden voorhanden, dat duizenden jaren voor onze jaartelling kinderen met poppen hebben gespeeld. Duidelijke aanwijzingen zijn met name nagelaten door de Balkanvolken, die zo’n fvijfenveertig-honderd jaar geleden voor hun kinderen, van klei complete poppenhuizen maakten, met daarin piepkleine popjes, aan het licht gebracht tijdens opgravingen. In het oude tweestromenland in Mesopotamie heeft men in verschillende kindergraven eveneens voorbeelden van poppen en ander kinderspeelgoed gevonden. Dat als grafgift aan kinderen werd meegegeven. Het Brits Museum in Londen heeft in haar collectie ca. 4000 jaar oude poppen. Deze exemplaren opgegraven in Egypte zijn van hout, kleurig beschilderd en dragen van kralen gemaakte pruiken. Nog een voorbeeld: Het Oudheidkundig Museum in Leiden heeft zijn korenmaalstertje, een beweegbaar houten stukje speelgoed, dat goed geconserveerd uit de Egyptische bodem te voorschijn is gehaald en eveneens ca. 5000 jaar oud is. Een ander stuk speelgoed wordt bewaard in het Heraklion museum op het eiland Kreta. Het betreft hier een popje op een schommel. Dit bij Phaistos gevonden popje werd zo’n vijfendertig-honderd jaar geleden gemaakt. Heel opmerkelijk aan de schommel zijn de palen, die vanboven eindigen in sterk geprononceerde vrouwenborsten, waardoor we toch weer worden herinnerd aan de vruchtbaarheidsbeeldjes. Zoals bijvoorbeeld de Venus van Qwillendorf, enen kalkstenen beeldje uit het oude Steentijdperk. Van een Grieks kind is een exemplaar van terracotta met beweegbare armen en benen bewaard gebleven, dat omstreeks 500 v. Chr. Werd gemaakt. Overigens besteedde men in de oudheid weinig zorg aan het maken van poppen. In de loop der eeuwen werden ze gemaakt van hout, klei, ivoor, jade, been en pijpaarde. Na de 16e eeuw van was, papier-maché, leer, meel, rubber, metaal, textiel, celluloid en diverse andere kunststoffen.

Beeldsnijders veranderen van stiel

Het Duitsland van voor de reformatie kende een groot aantal houtsnijders, die zich uitsluitend bezighielden met het maken van heiligenbeelden. Deze houtbewerkers woonden in de bosrijke streken, de meesten in Zuid-Duitsland. Zij leverden hun met uiterste zorg gesneden beelden aan de schilders, die het werk stoffeerden dat wil zeggen, dat zij het beeld van een paté voorzagen en het daarna polychromeerde. Met de kerkelijke hervorming van de 16e eeuw, toen de onverdraagzaamheid tegen de aanhangers van de roomse religie bij de overheid groeide, werd dit ondermeer geuit in diverse verboden. Daaronder viel ook het snijden van heiligenbeelden. Veel beeldsnijders zagen zich daardoor gedwongen de wijk te nameen naar een gunstiger godsdienst-klimaat. De meesten bleven echter en schakelden over op het snijden van poppen en dergelijk profaan houtsnijwerk. Zoals gezegd, deze beeldsnijders waren gewend voortreffelijk werk te leveren. Het centrum van deze nijveren werd Neurenberg en Sonneberg en Thüringe, met in het Beierse Woud centraals Bergtesgaden en Oberammergau. Twee van hen leven voort in de geschiedenis omdat hun namen geboekt staan in de 16e eeuw stadsarchieven van Neurenberg. Hun namen zijn H. Mesz. En Ott. Holzdocken.

Holzdocken

Die eerste houten poppen, holzdocken werden ze genoemd, werden in kegelvorm gesneden kop en romp uit een stuk. Ledematen, meestal tweedelig, werden scharnierend gemaakt met houten pennen. Details als ogen, mond, wenkbrauwen en haar werden opgeschilderd. In het kielzog van deze holzdocken kwamen al heel spoedig de tanzdocken, op z'n Hollands gezegd danspoppen, zogenoemd vanwege het veerkrachtige varkensharen borstelvachtje waarmee de met zaagselgevulde poppenlijven waren bekleed. De poppenmakers kregen grote bekendheid en konden daardoor nauwelijks aan de stijgende vraag voldoen. Om de drukte op te vangen werd het hele gezin ingeschakeld bij de productie. Door toedoen van het gildewezen met zijn toenemende macht, werd daar echter in de 18e eeuw een einde aan gemaakt. Voortaan mochten houtsnijders en draaiers alleen nog het hout bewerken. Het beschilderen en aankleden van poppen viel van toen af onder de bedrijfstak van de schilders en kleermakers. Ook in Engeland kende men al vroeg de houtsnijders die zich toelegden op het snijden van poppen. In tegenstelling tot hun Duitse collega’s was het hun echter wel toegestaan de pop te schilderen en aan te kleden, iets waarvoor de hele poppenmakersfamilie voortduren in touw was. Na 17-00 kregen de duurdere houten poppen ingezette glazen ogen, pruiken van echt haar en dikwijls fijn gevormde handjes. Gelegde houten popjes, de zogenaamde Dutch Dolls worden ook nu weer gemaakt, het is daarom oppassen geblazen bij een eventuele aankoop.

poppen

Poppen van papier-maché

De samengestelde stof papier-maché werd na de 16e eeuw al, vooral in Frankrijk gebruikt voor bijvoorbeeld poppenkoppen en ledematen. Men koos daarvoor papier met gips of zand en lijm of het al eerder gebruikte tragacantgom. Men maakte er koppen van en later ook de gehele pop. Tot omstreeks 1810 werd de kop met de hand vervaardigd daarna ging men er, vooral in Duitsland toe over de koppen te gieten in geoliede vormen. Dit werkte enorm tijdbesparend, waardoor de productie kon worden opgevoerd. Het gevolg was dan ook een spotgoedkoop massaproduct dat vanuit Sonneberg de markt overspoelde. Er ontstond daardoor tussen de Duitse en de Franse poppenmakers een geduchte concurrentiestrijd, tengevolgde waarvan de Fransen zich genoodzaakt zagen de krachten te bundelen. Zo kon de groep Jumeau Bru, Blödel, Delphieu en Rabery ontstaan, die naar buiten traden als de “Société Française de Fabrication de Bébés et Jouets”. Dat werd afgekort in het bekende SFBJ, en tot stand kwam in 1899. Het repareren van papiermachépoppen is met wat geduld best zelf te doen. Men maakt voor het opvullen van de gaten of scheuren eerst een papje van toiletpapier of kranten vermengd met krijg en lijm. Zorg voor een gladde dikke brij. Vervolgens de randen rond de breuk licht afschuren en enkele stroken toiletpapier over de breuk leggen, om te voorkomen dat de brij in het gat verdwijnt. Wel de stroken papier naar binnen toe wat ruimte geven en vastlijmen rond de breuk. Vervolgens laagsgewijze de substantie aanbrengen en na elke nieuwe laag laten drogen. Als het gerepareerde doel goed droog is kan de plek worden gladgeschuurd en bijgeverfd met waterverf, eiwit, gom en lijm; dat in veel doe-het-zelf zaken te krijgen is onder de naam Tempera. Dan nog iets: voor het repareren van gaten of scheuren in papiermachépoppen kan ook vloeibaar hout worden gebruikt. Naar mijn smaak echter, vermindert dit de waarde van een antieke pop.

Keramische poppen

Erg in trek bij de Poppenverzamelaars is de pop met een kop van porselein. Poppenfabrikanten uit onze tijd hebben hier haastig op ingehaakt door koppen te maken die bijna niet te onderscheiden zijn van de exemplaren die tot omstreeks 1940 werden gemaakt. Hierbij gaat het dan om poppen met een kop van mat porselein, het zogenaamde biscuitporselein.
De oudste keramische poppen zijn in graftombes aangetroffen. Deze terracotta exemplaren worden bewaard in musea. Keramische producten van later tijd werden gemaakt in pottenbakkerijen. In Duitsland en Nederland zijn in de 15e , 16e en 17e eeuw popjes gemaakt van pijpaarde. Het zijn vrij p[latte massieve exemplaren, gevormd in een mal. Een voorbeeld daarvan is gevonden in Zuid-Duitsland, in het Odenwald in de omgeving van een boerderij. Het is een fragment van zo’n kopje, zoals gezegd is het vrij plat en heeft een klein rond kopje omkranst door een wollige muts. Dit fragment wordt bewaard in het Oldenwaldmuseum in Michelstadt. Ik zelf ben zo fortuinlijk geweest bij het opgraven van scherven etc. Een dergelijk fragment te vinden. Het popje, waarvan het gedeelte beneden de knie ontbreekt, is gekleed naar de Franse mode van ca. 1650. De haren zijn lang en golvend onder de hoed, waarvan waarschijnlijk de rand is afgesleten.
De eerste poppen van porselein werden in 18e gemaakt maar helaas niet van het signatuur van de maker voorzien. Van de Fransman Jacop Petit is bekend dat hij zijn werk, dat dateert van 1943 signeerde met J.P.. Kestner en Fischer Naumann hoorden in Duitsland tot de eersten die porseleinen poppen maakten, als datum van registratie staat 1860 geboekt, ook Reidemester mag tot deze groep worden gerekend. Die eerste koppen zijn van geglaceerd porselein. Het haar is gemodelleerd en de beschildering is onder glazuur gebakken. Deze eerste poppenkoppen zijn spierwit waarbij het zwarte haar opvallen afsteekt, ook de handjes zijn dikwijls van porselein, de romp en onderste ledematen zijn van stof of leer, opgevuld met zemele. Meestal stellen ze volwassen dames voor, gekleed naar de mode van die tijd. Aan de haardracht kan men de ouderdom van dit soort poppen meestal wel vaststellen. Rond 1875 of iets eerder is er de mat porseleinen kop, het wat wij noemen biscuitporselein. De eerste daarvan kregen nog een laklaag. Niet lang daarna is er ook een porseleinen pop met twee – en later ook met drie gezichten, geïnspireerd op de Janusfiguur uit de mythologie. Janus was koning van Latium. Hij werd door Kronos in het rijk der goden opgenomen en werd in zijn land geëerd als schepper van de landbouw. Hij is de god van de dageraad en de avond, beschermgod van deuren en poorten, speciaal de dubbele poorten van het forum waardoor het Romeinse leger opmarcheerde. Aan dit factotum danken we tenslotte ook nog de naam van de eerste maand van het jaar.
Tot 1861 zijn de porseleinen koppen voorzien van een borststuk, deze werden na die tijd opgevolgd door een losse kop die op de schouders draaien kon. Madame Huret patenteerde deze vinding in 1861. Koppen van mat porselein hebben meestal een schedeldak van los materiaal. Door de opening in de schedel kon men de ogen gemakkelijker aanbrengen. Over een kapje van karton of stof werd de pruik opgeplakt, die van echt haar of van angorawol werd gemaakt. Het merk vindt men meestal direct onder het haar. Helaas is lang niet elke porseleinen kop van een merk voorzien. Na ca. 1910 hebben de meeste porseleinen poppen een romp en ledematen van papier-maché of een andere samengestelde harde substantie. De armen, soms ook de handjes en de voeten zijn soms geleed.

Dit is onze eerste blog over het ontstaan van poppen. De geschiedenis is zo groot dat het niet allemaal in één blog beschreven kan worden. Binnenkort deel 2.