Ontwikkeling Van De Loopfiets – Deel 2

By
Houten Loopfiets

Iedereen Op De (loop)Fiets

Al gauw gebruikte men de fiets voor het vervoer van spullen. Winkeliers kochten een fiets met manden aan het stuur op de bagagedrager. Zo’n transportfiets had een zwaarder frame en bredere banden. Bakkers- en slagersjongens konden zo snel bestellingen thuisbezorgen. Olie- en kolenverkopers gingen met bakfietsen langs de huizen. Een bakfiets heeft voor twee wielen met een laadbak ertussen. Postbodes en agenten kregen een fiets voor hun werk. Het leger kreeg afdeling fietsers. Zo konden soldaten snel en stil berichten overbrengen of uitzoeken waar de vijand zat.
Behalve een loopfiets bestonden kinderfietsjes honderd jaar geleden nog niet. Kinderen reden mee, voor op de stang bij hun vader of op de bagagedrager. Rond hun tiende jaar leerden ze fietsen op een grote fiets. Met houten blokken werden de trappers hoger gemaakt, zodat ze er beter bij konden.

Fiets voor twee

Populair was de tandem, een extra lange fiets waar je met z’n tweeën op rijdt. Hij heeft twee zadels, twee sturen en twee stel trappers. Dames gaan voor, dus de vrouw zat voor. Maar sturen kon ze niet, want haar stuur stond vast. De man was het hoofd van het gezin. Hij moest sturen, vond men. Dat deed hij met een stang die naar het voorwiel liep.

Er waren zelfs tandems voor vier personen. En met een extra bakje erachter! Let ook op de extra kettingen tussen de voorste en achterste trappers.

Bij moderne tandems is dat natuurlijk niet meer zo. De voorste fietser stuurt. Behalve als iemand gehandicapt is en niet kan sturen. Zo’n tandem is zo aangepast dat de achterste fietser stuurt.
Een fiets woog vroeger wel 30 kg. Maar men bouwde ook een lichte fiets. De fiets bracht een nieuwe sport: de wielersport. In 1903 werd de eerste Tour de France gehouden, de bekende Ronde van Frankrijk voor wielrenners.

Beter licht, meer versnellingen

Toen het drukker werd op de weg kwamen er meer verkeersregels. Een fiets moest een goede rem hebben, een fietsbel en een lamp in het donker. Eerst hadden fietsen een olielamp of een lantaarn met een kaars erin. Vanaf 1920 zag je steeds meer fietsen met elektrisch licht. De elektriciteit kwam van een dynamo. De dynamo heeft een wieltje dat je tegen de band zet, zodat het gaat draaien als je fietst. Hierdoor gaat in de dynamo een magneet draaien, in een spoel van koperdraad. Dat maakt stroom. Genoeg om de fietslampjes te laten branden.
Elektrisch fietslicht heeft ook nadelen. De fiets trapt zwaarder met de dynamo aan. Het dynamowieltje kan slippen door sneeuw of modder.

Laat je zien!

Tegenwoordig hebben veel fietsen een dynamo in de naaf van het voorwiel. Zo’n naafdynamo kan niet slippen. Het rode achterlicht werkt op een batterij. Het brandt ook nog even als je stilstaat. Zo blijft je zichtbaar. Zorgen dat je gezien wordt, is belangrijk voor je veiligheid op de fiets. Daarom moet je fiets ook reflectors hebben. Een reflector kaatst het licht terug, waardoor je beter opvalt in het donker. Op de trappers, de band of de spaken zitten witte reflectors, achter op het spatbord zit een rode.

Steeds sneller

Eerst hadden alleen racefietsen versnellingen. Maar na 1950 kregen ook gewone fietsen versnellingen. Meestal drie: een kleine, een gewone en een grote versnelling. Veel fietsen hebben tegenwoordig nog meer versnellingen.
Een fiets met versnellingen rijdt prettiger. Je kunt dan zelf de kracht kiezen die nodig is voor het fietsen. Tegen een harde wind in, schakel je naar een lage versnelling. Dan hoef je niet zo op de trappers te stampen om vooruit te komen. Een kleine versnelling trapt lichter, maar je gaat wel minder snel. Met een grote versnelling kun je juist veel vaart maken. Prettig met de wind in de rug.
Met een grote versnelling ga je dus snel vooruit. Voor schakel je dan een groot tandwiel en achter een klein tandwiel. Het kleine tandwiel, en dus ook het achterwiel, draait veel sneller dan de trappers rondgaan. Meer versnellingen betekent ook meer tandwielen. Met een kabeltje dat naar het achterwiel loopt, trek je de ketting op een ander tandwiel.
Sportfietsen hebben soms wel meer dan twintig versnellingen. Reken maar mee: met drie tandwielen vóór bij de trappers en zeven bij het achterwiel, krijg je 3 x 7 = 21 versnellingen! Bij zo veel versnellingen is een derailleur nodig. Die stuurt de ketting van het ene naar het andere tandwiel. Als we het dan toch hebben over snelheid, de loopfietsen van Early Rider hebben dan wel geen verstellingen, maar gaan wel erg hard!

Houten Loopfiets 2

Nieuwe modellen

Tussen 1950 en 1965 ging het niet zo goed met de fiets. Ze werden minder verkocht. Wie het kon betalen, kocht namelijk een auto. En jongelui wilden liever een brommer. Maar met hippe modellen probeerden de fabrikanten de fiets weer populair te maken. De vouwfiets was zo’n nieuw model. De vouwfiets heeft kleine wielen en een scharnier waarmee je hem dubbel kan vouwen. Zo kun je hem makkelijk meenemen in de auto of trein.

Sportief

Een groot succes werd de mountainbike, bergfiets in onze taal. De eerste mountainbikes reden in Amerika. Daar noemde men dit model ATB. All Terrain Bike, een fiets voor alle terreinen dus. Vanaf 1980 werden ze in ons land erg populair. En dat zijn ze nog steeds. Je kunt ermee op gewone wegen rijden. En dankzij de vele versnellingen kun je er ook mee crossen op een grasveld of in een bos. De brede banden met hoge ribbels maken dat je niet gauw slipt. De stangen van het frame zijn extra dik. Met zijn brede stuur en felle kleuren ziet de mountainbike er stoer uit. Hij heeft meestal een terugtraprem én een handrem. Met de handrem druk je een remblokje aan beide kanten tegen de velg van het voorwiel.
In fietswinkels zie je nog veel meer modellen. Stadsfietsen voor korte ritjes of fietsen met een aanhanger om kinderen mee naar school te brengen. Toerfietsen zijn gemaakt voor lange tochten. Met hun smalle velgen en dunnere buizen wegen ze minder dan gewone fietsen. Hoe minder gewicht, hoe minder moeite het fietsen kost.
Daarom worden tegenwoordig de frames vaak van aluminium gemaakt. Dat is lichter, maar iets minder sterk dan staal. Racefietsen zijn nog lichter, ze wegen nog geen 10 kg. Ze zijn gemaakt van titanium, een superlicht maar duur metaal.

Op een ligfiets heb je weinig weerstand van de wind. Dat fietst een stuk lichter. Er zijn verschillende modellen. Meestal zitten er hendels naast je zadel waaraan je je vast kunt houden. Je stuurt daarmee ook, of met je trappers, die zitten aan het voorwiel vast.

Diefstal

Wist je dat er elke dag in Nederland zo’n 2500 fietsen worden gestolen? De jouwe ook? Je baalt dan enorm, want een goede fiets is duur. Bovendien zit je op zo’n moment zonder fiets. Er zijn allerlei manieren om je fiets te beveiligen. Een goed slot is natuurlijk belangrijk. Maar als je fiets toch gestolen wordt, wil je hem natuurlijk terug. Tegenwoordig kun je een code in je fiets laten graveren, bijvoorbeeld je postcode. Met behulp van zo’n code is het voor de politie gemakkelijker om de eigenaar van een gestolen fiets te achterhalen. Maar dat kan alleen als je je ook laat registreren.
Soms gebruikt de politie een lokfiets om fietsendieven te pakken. Daar zit een zendertje in dat verraadt waar de lokfiets blijft. Fietsers waren honderd jaar geleden ook al bang voor diefstal. Niet van hun fiets, maar van het fietsplaatje. Elk jaar moesten ze voor ongeveer twee euro zo’n plaatje kopen en aan het stuur vastmaken. Dat was toen heel duur. Plaatje gestolen? Kon je een nieuwe kopen! Het fietsplaatje was een soort belasting die flink wat opleverde. Rond 1925 reden hier al 2 miljoen fietsen, dus reken maar uit. Nederland begon toen al een fietsland te worden.

Tussen 1924 en 1941 hadden agenten het druk met het controleren van fietsplaatjes. Eerst moet zo’n plaatje op het stuur van de fiets zitten. Later was het ook goed als je het bij je had. Zo niet, dan kreeg je een bekeuring.

Veel Nederlanders raakten in de Tweede Wereldoorlog hun fiets kwijt. Niet door fietsendieven, maar door Duitse soldaten. Zij lieten fietsers stoppen en pakten hun fiets af. De soldaten begonnen hiermee toen ze geen benzine meer hadden voor hun legervoertuigen.

De fiets heeft de toekomst

Meer fietsen en minder autorijden, dat is beter voor het milieu. En het is goed voor je gezondheid, want bewegen is gezond. Wie fietst, bespaart ook geld. Autorijden is peperduur. Door alle auto’s zijn de wegen nogal eens verstopt. In de stad rijd je vaak sneller met de fiets dan met de auto. Maar in een auto heb je geen last van slecht weer op tegenwind, op de fiets wel. Ondertussen doen fabrikanten er alles aan om het fietsen prettiger te maken.
Er zijn anti-lekbanden, fietsbanden die haast niet lek raken. En de fietslamp krijgt led-lampjes die bijna nooit stukgaan. Een fietsketting die van het tandwiel loopt, is straks ook verleden tijd, Je kunt dan fietsen kopen zonder ketting. Nooit meer smeer aan je handen of kleren. Fietsen hebben over enkele jaren een fietscomputer ingebouwd in het stuur. Je tikt een adres in en je ziet meteen via welke route je daar het beste kunt komen. Fietskaarten zijn overbodig. Zoek je een mooie fietsroute? Op een schermpje zie je de route van je keuze. Je kunt ook zien wat er achter je rug gebeurt. Dat is handig en veilig.

Vond je het leuk om te lezen over fietsen? Wij hebben dit geschreven om een beetje de geschiedenis over de fiets, en met name de houten loopfiets te leren. Wij vonden het dan ook erg leerzaam.