De Ontwikkeling Van De Houten Loopfiets

By
Houten Loopfiets

De Loopfiets, Alle Begin Is Moeilijk

Wist je dat er in Nederland meer fietsen dan mensen zijn? In 2008 hadden 16,5 miljoen Nederlanders samen 18 miljoen fietsen. Veel landgenoten hebben twee fietsen, eentje voor de vrije tijd en eentje voor school of werk. Ons land is vlak en dat fietst makkelijker dan in de bergen. We hebben veel fietspaden en mooie fietsroutes door de natuur. Nederland is echt een fietsland.
De fiets is een mooie uitvinding. Toen er nog geen fietsen waren, kon je op stap met een rijtuig of boot. Lopen kon ook, maar daarmee haalde je 5 km per uur. Iets wat sneller ging en op eigen spierkracht kon rijden, dat zou mooi zijn! Verschillende mensen knutselden een houten loopfiets in elkaar, het begin van de fiets. Twee wielen met een balk ertussen, alles van hout. Je moest afzetten met je voeten. Dan ging je een stukje recht vooruit, want een stuur was er niet.
De Duitse baron Von Drais maakte in 1817 een loopfiets met een voorwiel dat je kon sturen. Het stuur was een grote verbetering. Nu kon je een bocht maken. Het stuur zorgde ook voor evenwicht op de fiets. Kaarsrecht rijden lukt niemand. Je moet altijd een beetje kunnen ‘ slingeren’, anders lig je al gauw op de straatstenen. Later werd de loopfiets van baron draisine (zeg: drezzienuh) genoemd, naar de uitvinder.
De draisine werd overal in Europa nagebouwd.

Trappen maar!

Een loopfiets is voor ons geen echte fiets, we missen de trappers. Het duurde nog vijftig jaar voor er een trapfiets kwam. In 1865 bouwden twee Fransen, vader en zoon Michaux, de vélopicède (zeg: veeloosiepehde). De vélopicède had ijzeren wielen met dikke spaken. De pedalen zaten vast aan de as (het midden) van het voorwiel. Ze draaiden dus met het wiel mee.

Grootwiel

Het voorwiel maakte men steeds groter. Dan ging je sneller vooruit. Want met één rondje met de trappers ging het wiel ook één keer rond. Zo ontstond de hoge bi. Heel bekend werd de Ariel, een hoge bi die James Starley in 1871 bouwde. De mensen vonden vooral het enorme voorwiel met dunne spaken prachtig. Met één omwenteling van het wiel was je 3 meter verder. Toch vonden veel mensen de hoge bi lastig om mee te rijden. Opstappen was moeilijk, dat moest via een voetensteuntje. Wie viel, maakte een behoorlijke smak. Bij tegenwind kon je de trappers amper rond krijgen. Zo had de hoge bi nogal wat nadelen.

Ondanks dat de hoge bi nadelen had, werden er wel fietswedstrijden mee gereden!

Veilig fietsen

Reden genoeg om te werken aan een veiligere fiets. Die kwam er in 1885. Toen bouwde John Starley de Rover. Zijn Roverfiets leek al veel op de fiets van nu. Je zat op een zadel, een stuk lager dan op de bi. Dat was veel veiliger. Starley noemde zijn fietsmodel dan ook Safety (zeg: seefhtie) of veiligheidsfiets. Ook de loopfietsen van bijvoorbeeld Early Rider hebben nu een zadel.
De trappers van de Rover zaten niet meer aan het voorwiel, maar beneden aan het frame (zeg: freem). Het frame is het geraamte van de fiets waaraan de wielen en andere onderdelen vastzitten.

Early Rider Loopfiets

Twee tandwielen

De Rover had twee tandwielen, eentje bij de trappers en eentje bij het achterwiel. Een tandwiel heeft tanden (uitsteeksels) waar de schakels van de fietsketting in passen. Met de trappers liet je het voorste tandwiel draaien. Door de ketting ging ook het achterste tandwiel draaien. Dat zat vast aan het achterwiel en zo ging je dus vooruit.

Met een ketting en twee tandwielen krijgt de fiets een versnelling. De wielen van de Roverfiets waren even groot, zo’n enorm verschil met de hoge bi. Zie je de veren van het zadel?

Het voorste tandwiel bij de trappers was een stuk groter dan het achterste. Dat was slim gedaan. Bij elk rondje van de trappers ging het voorste tandwiel één keer rond. Maar het kleine tandwiel ging dan wel twee of drie keer rond. En dus ook het achterwiel. Heeft het grote tandwiel bijvoorbeeld 50 tandjes en het kleine 25, dan gaat het kleine tandwiel twee keer zo snel. Het achterwiel draait dan ook twee keer zo snel als de benen van de fietser.
De rover reed beter dan de hoge bi. Je kon makkelijk op- en afstappen. En je hoefde minder hard te trappen om snelheid te maken. Je haalde op je gemak 15 km uur.
Je snapt dat de veiligheidsfiets een groot succes werd. In Europa openden veel fietsenfabrieken hun poorten. In ons land ging de eerste fietsenfabriek in 1898 open. In dezelfde tijd werd de ANWB opgericht. Nu is de ANWB vooral een vereniging voor automobilisten, maar toen vooral voor wielrijders. Kijk maar naar de naam: Algemene Nederlandse Wielrenners Bond. Wielrijders reden op rijwielen. Nu zeggen we fiets. Fiets komt van ‘vietsen’, een oud Limburgs woord dat ‘snel gaan’ betekent.

Remmen met de trappers

Goede remmen hadden houten loopfietsen toen nog niet. Je kon remmen door een blokje out of metaal met een stangetje op de band te drukken. 
Rond 1900 werd het free-wheel (vrij-wiel) uitgevonden. Nu kon je de trappers wel stilhouden. De fiets kreeg toen ook een terugtraprem. Door achteruit te trappen, kon je remmen. Bij de terugtraprem druk je een schijf tegen de binnenkant van de naaf. De naaf is het middenstuk van het wiel waar de spaken bij elkaar komen. Dat zorgde voor een weerstand, zodat je met het achterwiel afremde. De terugtraprem bestaat nog steeds. Je kunt er stevig mee remmen. Dat is wel zo veilig.

Luchtband maakt fietsen populair

In het begin had de loopfiets nog geen luchtbanden, maar een strook rubber om de wielen. Je voelde elk schokje als je over de straatstenen reed. Geen wonder dat de fiets in het Engels boneshaker (zeg: boonsjeekur) als bijnaam kreeg: ‘bottenschudder’.
Dat zegt genoeg.
Het zoontje van de Ierse dierenarts Dunlop kon erover meepraten. Hij kreeg zelfs hoofdpijn van het gehobbel als hij naar school fietste. Dat kan beter, bedacht vader Dunlop. Hij maakte een holle fietsband. Daarin paste een binnenband die je kon oppompen. Dat reed een stuk lichter en prettiger.
Maar hoe maakte je de band vast aan het wiel? Dunlop spande zijn band eerst met een veter om de velg. Een velg is het deel van een wiel waarop de band ligt. Handig was die veter niet. In 1890 vond Dunlop een betere oplossing. De velg kreeg opstaande randen waar de band precies tussen paste. Zo kon de band niet van de velg aflopen.

Dunlop begreep dat er geld te verdienen was met luchtbanden. Hij bouwde een grote bandenfabriek. Ook Michelin in Frankrijk en Pirelli in Italië gingen rubberen banden maken. 
En nu worden ook alle loopfietsen met luchtbanden gemaakt.